Het is een zondagavond in december: koud, donker. Ik heb even een korte pauze genomen. Even sta ik na te denken voor het raam – met een glas ice tea in de hand – starend naar buiten. Het is bijna Kerst, de huizen zijn leuk, maar niet uitbundig verlicht. Bij sommige overburen staat een kerstboom in huis.

Dan gaat ineens het licht aan in de slaapkamer van mijn stoere, kickboksende overbuurman op 2-hoog. Door zijn luxaflex heen zie ik hem de kamer inlopen, een kus geven aan iets dat kennelijk een foto is. Hij zet het lijstje neer, slaat een kruisje, en loopt weer weg. Het licht gaat uit. Het tafereeltje speelt zich af in nog geen 20 seconden.

Redelijk verbijsterd blijf ik voor me uit staren. Allerlei vragen schieten door me heen. Een kruisje? Hij is dus kennelijk katholiek, dat had ik niet achter hem gezocht. Waarom eigenlijk niet? Geen idee, ik heb er gewoon nooit over nagedacht. Misschien omdat ie kickbokst? Wie zou er op die foto staan? Iemand die is overleden? Die kans is groot. Zijn moeder misschien, er is immers regelmatig een man over de vloer die hem helpt met klussen? Dat zou zijn vader kunnen zijn… Kickboksers zijn blijkbaar ook maar gewoon mensen, die ook gewoon katholiek kunnen zijn. Waarom ook niet? Zou ie naar de kerk gaan? Ik hoor hem soms trainen beneden in de berging; dat doet ie altijd met de deur open, soms samen met een vriend. Zou ie ook wedstrijden doen, of traint ie alleen maar? Is het eigenlijk wel kickboksen? Hé, ik heb z’n Hindoestaanse vriendin al een poosje niet gezien. Leuke vrouw. Zou het nog wel aan zijn? Ik hoop het. Hij lijkt me wel een toffe gast; zal ik hem eens een keertje aanspreken?

De ice tea is op, en ik ga weer door met wat ik deed.